17e en 18e eeuw. De Haringstad
Haringvisserij door Enkhuizer vissers. Haring was een wezenlijk onderdeel van het voedselpakket geworden. Hoeveel vissersschepen in het begin van de zeventiende eeuw Enkhuizen als thuisbasis hadden is niet helemaal bekend, maar het moeten er honderden geweest zijn. Uiteraard was een vloot van zoveel vissersschepen uiterst kwetsbaar voor zeerovers zoals kapers uit Duinkerken of uit de Noord-Afrikaanse kuststeden. Enkhuizen had dan ook zijn eigen oorlogsschepen om haar vloot te beschermen.
Enkhuizers vangen haring bij de vleet. Hoeveel vissersschepen in het begin van de zeventiende eeuw Enkhuizen als thuisbasis hadden is niet helemaal bekend, maar het moeten er honderden geweest zijn.
Haring was een wezenlijk onderdeel van het voedselpakket geworden. Het was voedzaam, er zat zelfs vitamine C in. Dat zei de zeventiende-eeuwer niets, maar hij merkte het wel én het was goedkoop. Doordat het in Europa in de 16de en 17de eeuw wat kouder werd, kwamen er steeds meer grote haringscholen in de Noordzee voor. Vooral de Hollanders specialiseerden zich in het vangen van die haring. In het noorden waren het de Enkhuizers die zich met de haringvangst bezighielden. In het zuiden waren de meeste haringvissers in havensteden in de Maasmonding te vinden, Rotterdam of Schiedam bijvoorbeeld.
Haring kon, als je de vis goed kaakte en zorgvuldig zoutte en in tonnen deed, lang bewaard blijven. Het was dan ook een belangrijk exportartikel. Veel Enkhuizer vrachtschepen voeren met haring door de Sont naar de Oostzeehavens om met ladingen graan en hout weer terug te keren.
Dat kaken en in tonnen doen gebeurde aan boord. De haringbuizen waren een soort fabrieksschepen die wekenlang op zee bleven om de vis te vangen en te verwerken. De vissers gebruikten drijfnetten, die aan elkaar verbonden waren tot een vleet. Zo’n vleet kon honderden meters lang zijn. De haringvisserij was aan strenge regels gebonden. Het Collegie van de Groote Visscherij, waarin de steden Rotterdam, Den Briel, Schiedam, Delft en Enkhuizen vertegenwoordigd waren, bepaalde wanneer er gevist mocht worden, welke merken in de tonnen gebrand moesten worden, welke soort zout er gebruikt moest worden, etc. etc.
Uiteraard was een vloot van honderden vissersschepen uiterst kwetsbaar voor zeerovers zoals kapers uit Duinkerken of uit de Noord-Afrikaanse kuststeden. Ook in tijden van oorlog was het roven van elkaars vissersschepen een doeltreffend strijdmiddel. Enkhuizen had dan ook zijn eigen oorlogsschepen om de vloot te beschermen.
Dat ging niet altijd goed. In 1636 waren enkele van deze oorlogsschepen wel erg snel vertrokken toen een vloot van Duinkerker kapers de haringvloot aanvielen. Toen ze weer thuis in Enkhuizen kwamen durfden de kapiteins de straat niet meer op omdat ze bedreigd werden door de woedende vrouwen van de gevangengenomen vissers. Later veranderden oorlogs- of konvooischepen in een soort hospitaal schepen die gewonde of zieke bemanningsleden verzorgden. Er waren zelfs scheepstimmerlieden aan boord die kleine reparaties konden uitvoeren.
In de loop van de achttiende eeuw nam de haringvisserij af. Het voedselpatroon veranderde. Aardappelen en gehakt vervingen het in de zeventiende eeuw zo geliefde brood met haring.