Denenburg
De Denenburg was een stadspoort aan de haven van Enkhuizen. Hij dankt zijn naam aan de ossenhandel met Denemarken.
Denenburg en ossenhandel.
Bij de aanleg van de nieuwe havens in het zuiden van de stad aan het einde van de zestiende eeuw, hoorde natuurlijk ook een fortificatie om die havens te beschermen. Op het zogenaamde Westerhoofd verscheen een stenen blokhuis, met op het dak een platform voor kanonnen.
Al in de zestiende eeuw werden er ossen uit Denemarken ingevoerd om in Holland vet geweid en geslacht te worden. Door het inrichten van een grote veemarkt met allerlei faciliteiten op het huidige Stationsplein, wist Enkhuizen de Deense en Sleeswijkse veehandelaren naar zich toe te trekken ten koste van de Hoornse veemarkt.
De familie Tatinghof had een belangrijke positie in de groep Deense handelaren. Zij konden het fort op het Westerhoofd voor een lage prijs huren voor opslag van allerlei zaken die bij de Ossenmarkt hoorden. Als snel kreeg dat fort de naam Denenburg. Rond 1650 verloor de Enkhuizer Ossenmarkt zijn positie en verhuisde naar Amsterdam. In 1654 besloten de Enkhuizer burgemeesters de Ossenmarkt af te breken.
De Denenburg is daarna voor allerlei doeleinden gebruikt. In 1795 vertrok de laatste huurder, het kleermakersgilde, uit het fort. In 1822 is de Denenburg gesloopt, op een klein stuk muurwerk in het havenhoofd na.